Trekkingsdag 25 , Namche, ‘bergbloemetje’

Trekkingsdag 25, richting Namche 15-11

De lodge eigenaar wijst ons nog even het goede pad en daar gaan we. Weer heuvels, dit keer wat meer bergopwaarts. Pff, ik ben nu al buitenadem, toch is het daarna redelijk vlak wat goed te doen is. Na ruim anderhalf uur lopen komen we pas in het dorpje Dolé. Het is maar goed dat we gister niet verder zijn gegaan dat was echt een uitputtingsslag geweest. We dalen een stukje af en ik steek dan de rivier over om de weg boven weer op te pakken. Opeens ben ik Marina kwijt. He ze liep toch voor me uit? Waar is ze nou?

Het blijkt dat ze ergens anders op mij aan het wachten was, we zijn elkaar misgelopen, wat stom. We vervolgen de weg soms wat trappen, ik ben bekaf, “Marina ik doe echt me best he”. Onderweg komen we een paar “bevroren” watervallen tegen, wouw wat is dat bijzonder zeg.

Marina loopt al weer op me vooruit. Ze heeft natuurlijk ook wat tijdsdruk, omdat ze morgen naar Lukla moet zijn. Toch denk ik dat we af en toe wel iets rustiger aan kunnen doen, we hebben nog de hele dag. Ik zie op tegen de flinke klim die we vandaag nog moeten doen. Ik zie de berg al voor me. Ik begin met klimmen van de treden. Een porter vrouw lacht naar me. “Namasté. Namache?” vraagt ze “Up, up, , up.” Ik knik en lach vriendelijk terug, terwijl ik verder de trappen beklim.

Het zal vast allemaal wel meevallen. Maar halverwege ben ik alweer uitgeput, ik kan niet meer. Het huilen staat me nader dan het lachen. Ik vraag mezelf zelfs af waarom ik niet met onze Spaanse vrienden in een heli ben gestapt toen ze het me aanboden.

Marina blijft als een soort antilope maar door gaan. Ik roep haar nog na, maar ze is te ver. Ik push en push, mijn adem hapert wat kan ik doen? Ik pak mijn water en probeer wat te drinken, maar zelfs het doorslikken van water gaat moeilijk. Ik ga verder kom op, kom op. “Marina, wacht!” Ik hijg, ik kan wel janken. Ik ben helemaal klaar, ik wil er gewoon zij,n ik wil naar huis, naar namche.

Marrina! ik moet echt even zitten, terwijl ik neer plof op een stenen randje. “Je moet niet steeds rusten dat maakt het moeilijker.” Ik raak geërgerd. “Ja, wat weet jij er nou van jij loopt niet met hoogteziekte een bergop!” “Geef mij je tas.” Ik kijk haar aan of ik water zie branden. “Geef mij je tas, kom op. Maar dan moet je in een keer door naar boven, goed?” “Mijn tas? Ben je gek?” “Ja ik ben gek, maar kom nou”. “Nee, Marina dat kan toch niet!” Ze trekt aan het hengsel. “Ik wil het, kom nou. Ik wil weten hoe het voelt op een porter te zijn.” Ze draagt mijn tas voor en haar eigen tas op haar rug. Ik draag haar wandelstok en sjok achter haar aan.

Marina als porter

Marina, kom dit kan toch niet” sputter ik tegen. Ze loopt door. Ik ga inderdaad sneller de berg op. Vooral om haar van dit belachelijke idee af te helpen. “Marina kom dit kan niet”. Ze loopt gewoon door. Mijn adem houdt het niet en ik vertraag mijn stappen. Ik voel me ziek en krijg een hoest aanval. Khumbu cough.

Ik loop en loop, stap voor stap door, zigzaggend de berg op. Ik geloof dat ik wel een 20 keer dacht boven deze trap is het en dan slingerde het pad opeens de ander kant op en weer en weer tot ik uiteindelijk de prayer vlaggen zie hangen. Daar moet het dus zijn. Zodra ik de andere kant uitloop weet ik dus dat er nog een verassing aan zit te komen.

De laatste trap. De ogen van Boeddha op de stoepa staren me aan, alsof ze willen zeggen, je bent er bijna. Ik ben hier kom maar. Marina zit onderaan de stupa te wachten. Ik lach “Je bent echt gestoord, hoe heb je dat gedaan”. “Ik kan je toch niet laten vallen kom op zeg, je hebt gelijk, je bent dood ziek”. Kom we moeten door. Ditmaal ga ik weer voor op het is een stuk bergafwaarts wat me redelijk afgaat, maar ik spuug nog steeds slijm op, pas een flink eind beneden heb ik het idee dat ik me weer ietsje beter voel. De weg is nu redelijk vlak.

Ik weet het nu zeker. En wil dat zij het ook weet. Ik pluk een bergbloemetje die tussen de rotsen groeit, maar heel zelden zie je er een. Ik draai me om. Daar komt ze. Marina… Ik overhandig haar de bloem. Ik wil dat je weet dat ik je echt heel erg leuk vind. Leuk, leuk. Je bent echt geweldig en jij maakt de wereld een betere plek met die geweldige lach en je karakter. “Ach wat romantisch”, zegt ze lachend en pakt de bloem aan, denkend dat ik een grap maak. Ik lach het dan ook maar weg.

We komen nu weer door een bosgebied en langzaamaan begin ik dingen te herkennen. We zijn nu weer op een pad welke ik eerder liep vanuit Namche naar Basecamp. Ja ik herken het weer. Voor de laatste keer swing ik de enorme prayer wheel de rondte in. Het belletje klingelt. Marina lacht. Ik volg haar nog een keer de trappen op. Het is rustig aan berg opwaarts met grote vlakke stukken tussendoor. Voorbij de stupa en dan door naar Namcche ik kan het al bijna ruiken wat … proeven. Namche? Nee, de KFC (khumbu fried chicken) van Cafe Danphe natuurlijk.

Marina loopt achter een groepje Yak’s en praat met de yakdriver. Oh, doe dat nou niet denk ik nog daar gaan we weer. Je denkt even laat ik aardig doen, maar voor je het weet kom je er niet meer vanaf.

Ik raak gesterkt bij het idee dat ik bijna terug ben in Namche. Ik wil door maar de kracht ontbreekt. In gedachten ben ik al daar. Terug bij die mooie plek waar het allemaal begon…

Ik haal Marina in. “Ik heb een leuk gesprek met deze meneer, hij is ook gids hij heeft me zijn kaartje gegeven”. Ja natuurlijk doet hij dat, jeetje wat naïef. Ik loop een stukje op haar vooruit, maar ze komt me al snel te gemoed. We zijn er bijna, ook Marina is blij en opgewonden om te terug te gaan naar Namche.

follow us:
Facebooktwittergoogle_pluspinterestrssinstagram

Geef een reactie