Trekkingsdag 18, Lobouche, ‘hoe dan?’

Trekkingdag 18, Lobouche, 8-11

Het is een flinke tocht en ik vrees het ergste. Ik ga naar boven, beneden ligt nu het dorpje Dingbouche. Ik zie een flink aantal mensen de berg oplopen en denk dus dat, dat de route is. Beneden zie ik een ander pad waar slechts twee trekkers zijn. Ach wat stom ze lopen de verkeerde kant op, denk ik nog. Halverwege word ik aangesproken door een trekking guide. “Waar ga je heen?” “Ik ben op weg naar Lobouche”, zeg ik trots.” Oh maar dan loop je verkeerd hoor. Lobouche is daar.” Hij wijst in de verte. “Het pad is daar beneden, volg de porters en dan kom je er wel.” Ik voel me zo ontzettend stom, de berg die ik aan het beklimmen ben is een kleine dagtocht voor acclimatisatie. Lobouche is een heel stuk verder en ik ga dus daar beneden. Gelukkig is het pad een soort Nepali flat. Licht glooiend en ik zou bijna denken dat ik totaal ergens anders was als ik niet een prachtig uitzicht op de bergen had.

lobouche

Het is echt een flink stuk lopen. Uren wel te verstaan. Ik kom uiteindelijk bij het einde van de bergpass en hoop er nu te zijn, maar dat feest gaat natuurlijk niet op. In de verte zie ik een helderblauw glacier meer, slechts een heel klein stukje.(daarover later meer in mijn tocht naar Dzongla) Ik loop verder naar beneden, over een soort zandpad.

Eenmaal beneden zoek ik naar de route. Ik zie alleen een waterval welke bestaat uit enorme rotsen. Hoe dan? Moet ik hier echt overheen? In de verte zie ik wat mensen. Ja dus. Ik klauter over de enorme rotsblokken. De waterval is half bevroren en er stroomt nog slechts een klein stroompje voor alsnog te veel om zomaar doorheen te lopen. Ik zie een paar planken liggen wat als brug fungeert. Ja dat moet dan maar. Ik ben als de dood dat ik er doorheen zak, maar dat gebeurt gelukkig niet. Er zijn vast al veel meer mensen overheen gegaan.

lobouche

Daarna moet ik weer over de rotsen naar boven. Het is best wel stijl en ik ben blij als ik het gehaald heb. Pff. Er is een soort lunchplaats, maar van een dorp kunnen we niet echt spreken. Ik ben uitgeput, maar bij het zien van de menukaart ga ik al bijna over m’n nek, ik heb totaal geen eetlust. In de lodge is het niet veel beter, er hangt een vreemde geur en het geschransd van de Nepali kan ik ook niet echt waarderen.

Ik zie op tegen de enorme berg die ik moet beklimmen. Het zit eruit als een slagveld waar trekkers én voor één neervallen, in de brandende zon, terwijl ze bijna kruipend de berg over klimmen. Ik forceer mezelf om water te drinken. Na 5 min rust sta ik op en ga met goede moed de berg op. Het begin is goed te doen, maar halverwege ben ik zo buitenadem dat ik toch echt even moet rusten. Ik kijk naar de Indiase vader en dochter die een van de gevallen soldaten lijken. De vader kan echt niet meer, terwijl zijn dochter als een soort antilope blijft doorgaan.

Na wat water push ik mezelf verder de berg op. “Nog een klein stukje, kom op.” zeg ik tegen mezelf. Daar boven is het. Eenmaal boven is het, zoals altijd, nog een stuk verder omhoog. Boven staan een paar tempels en gedenktekens. Gevallen slachtoffers in de strijd naar Everest. Everest is geen echte oorlog, waarmee ik het vergelijk, maar een ware strijd kan ik het wel noemen.

Boven vind ik een stenen bankje waar ik neer plof, mijn energie lijkt volledig weg gezogen, maar Lobouche is nog een stuk verder. Ik ben teleurgesteld. Teleurgesteld in de leugen die ik mezelf voor hielt dat ik er bijna was, teleurgesteld in mezelf dat ik niet meer verder wil. Ik vind mezelf zwak dat ik nu al wil opgeven, maar dat is geen optie. Hoe haal ik het in me hoofd om dat alleen maar te denken?

Ik zoek naar een van de vele chocolade bars in mijn tas. Ik neem een hap van de mars maar het is me veelte zoet. Na een tweede hap stop ik hem weer weg. Ik heb iets nodig om me verder te pushen. Ik móet verder. Het word al kouder en donkerder. Ik trek mijn donsjas aan en ga door. Ik zie veel trekkers op de rustplaats (letterlijk en figuurlijk) maar die gaan allemaal naar beneden, op de route naar Lobouche zie ik vrijwel niemand.

Ik loop over een vlak stuk van een bergpass en daarna bergafwaarts. Ik zie iemand in tegengestelde richting. Ik besluit hem aan te spreken. En vraag: “hoelang is het nog naar Lobouche?” “Oh nog zeker 2uur lopen”. Hij ziet de teleurstelling in mijn ogen. “Oh nee, echt?” Ik zucht. “Oh, maar meisje het ergste heb je al gehad hoor, de rest is echt een makkelijke tocht. Je gaat eerst hier naar beneden en vanaf daar is het vrijwel vlak. Zie je die heuvel daar?” Ik kijk in de verte. “Daar achter is nog een heuvel en daarachter is het”. De beschrijving maakt me aan het huiveren, “het is dus nog echt best wel ver”. “Maar je kunt nog even rusten, je hebt nog genoeg tijd, doe het rustig aan”.

De man is uiterst vriendelijk en we maken een praatje. Hij werkt tijdens het seizoen in een lodge in Pyramid een plaatsje hier niet ver vandaan. Hij raad me aan in Gorak shep een halve diamox voor de nacht te nemen, als voorzorgsmaatregel. “Anders wordt je echt heel vervelend wakker, geloof me. Het is anders alsof je stikt in je slaap”. Ik weet precies wat hij bedoelt ik heb al eerder een happen-naar-zuurstof aanval gehad in mijn slaap. Nee dat is echt niet fijn. Je denkt inderdaad dat je dood gaat. Alsof je onderwater zwemt en bijna bij de oppervlakte bent, maar nét niet. “Alleen in Gorak shep, ik denk niet dat het veel kwaad kan,” zegt de man. Hij gaat weer terug naar huis, naar Italië. Hij is een beetje aangeslagen. “Ik ben altijd somber als ik de bergen weer achter me moet laten. Het is echt mijn thuis.”

De motiverende woorden van de Italiaan maken dat ik toch maar door loop. Heb ik een andere optie dan? Rustig aan, dan kom ik er wel. De route is inderdaad precies zoals hij zei. De bergaf naar beneden en dan voorbij de drie heuvels, zie ik een bordje met Lobouche en cho la pass de andere kant op, dat is iets voor later. Ik volg de porter voor mij en stap flink door naar Lobouche.

Volledig uitgeput zoek ik naar een lodge ik zie iets wat mij wel aanstaat, maar ik krijg 0 op het rekest. De lodge is vol. Ze zegt me het bij de buren te proberen. Het is ook al vrij laat dus het verbaast me eigenlijk niks dat het vol is. Toch ben ik een beetje teleurgesteld dit leek me erg comfortabel de dinninghal is in iedergeval lekker warm. Mijn bril is beslagen. Ik hoop dan toch maar dat ze bij haar buren nog plek hebben.

De kamerprijzen zijn hier boven de pan uitgestegen 700rp voor een kamer. Maar omdat ik alleen ben wil hij me wel een korting geven. 500rp? Nou vooruit dan maar. Deze lodge is een stuk groter en wat minder mooi. De dinninghal is groot en de kleine kachel kan de ruimte nauwelijks volledig verwarmen.

Mijn kamer is erg koud en ik moet best een stuk de gang uitlopen naar de wc. Ik doe een dutje op bed ik ben volledig uitgeput. Als ik wakker word denk ik aan mijn dinner dat had ik eerder al door moeten geven, maar dat was me even ontschoten. Gelukkig is het geen probleem als ik aardappel met ei bestel en een pot heet water. Ik zie het arrogante Duitse meisje uit Jubing aan een tafel zitten. Ik vermijd haar als de pest. Kijk de dinning hal rond. Het zit behoorlijk vol. In de hoek neem ik plaats.

Na een poosje komt er een groepje bij me zitten. “Mogen we hier zitten?” “Ja natuurlijk”. Ik maak een praatje met de jongen naast mij. Het zijn Israëliërs die elkaar tijdens de trek en in het vliegtuig hebben ontmoet. “Oh wat grappig dat jullie allemaal uit hetzelfde land komen”. “Ja, dat is eigenlijk gewoon een toevalstreffer”. We praten wat over de route en de trekking naar Everest Basecamp.

Het groepje gaat even naar buiten en vraagt mij op zijn tasje te letten en de plekken bezet te houden.

Helaas zie ik na een paar minuten een lodge medewerker een van de stoelen al weg trekken. Ja daar kan ik weinig van zeggen. Even later komt er een jongen zitten. “Er komen straks wel wat mensen terug” waarschuw ik hem. Hij kijkt om zich heen. Er is eigenlijk geen andere plek waar hij kan zitten. Het is etenstijd iedereen zit hier. “Ach blijf maar zitten joh.” Zijn guide zit naast hem.

Ik krijg mijn aardappels niet op, het is een flink bord vol en ik heb nog steeds niet echt veel trek. Toch smaakt het goed ik heb meer dan de helft op. Ik geef de overgebleven aardappel aan de guide. “Wil jij nog patatjes?” Hij kijkt verlegen, “nouja eentje dan”. En pikt er een van mijn bord. “Je mag alles hebben hoor, ik zit echt te vol.” Hij is als een kind in een snoepwinkel die je zegt de hele snoepwinkel leeg te eten. De nepalese porters en guides hebben vaak niet zoveel geld en eten slechts de simpele gerechten, een bordje aardappel is hier een luxe.

Het Israëlische groepje is weer terug en ik praat wat met Or, een van de jongens. Hij komt uit Tel Aviv een plek die ik aan het eind van mijn reis nog hoop te behalen. Hij vraagt of ik morgen met hun mee wil trekken, maar ik ben veelte langzaam en sla daarom het aanbod af.

Ik ga mijn bed in, het is er ijskoud. Het avontuur is nu echt begonnen, morgen bereik ik Gorak Shep. Ik moet een traan van vreugde wegvegen. Ik ben gespannen, blij en trots op hetzelfde moment. Ik ga het halen! Zijn de laatste woorden in mijn gedachten voor ik mijn ogen sluit.

 

 

follow us:
Facebooktwittergoogle_pluspinterestrssinstagram

Geef een reactie