Sharjah naar Kathmandu, ijsjes slurp je met een lepel

Sharjah naar Kathmandu 17-10

Na een hele tocht met de metro tot aan bijna de laatste halte, waarbij ik het grootste gedeelte moest blijven staan (met backpack) kom ik aan op het busstation. Bij een loket vraag ik welke bus naar de airport van Sharjah gaat. “Die bus die bestaat al 5 jaar niet meer”, zegt de man lachend. Verdorie hoe kom ik er nu dan? “Je kunt de bus nemen naar Sharjah en overstappen op bus 15.” Ik doe wat hij me zegt. In de bus zit ik in het vrouwendeel, voorin. Sharjah is inderdaad niks anders dan fabrieken en oude gebouwen, stoffig en zanderig. De bus stopt, maar ik ben te laat voor mijn overstap. Bus 15 raast voorbij. Ik besluit een taxi te nemen, anders kom ik straks nog te laat. De taxi probeert er nog even een slaatje uit te slaan, maar ik geef hem net genoeg geld dat hij ophoud met klagen. Het is hier al duur genoeg.

Ik word op de luchthaven vriendelijk ontvangen, maar moet door een hoop controles en poortjes. Bij de roltrap richting gate wordt ik zelfs tegen gehouden. “Heb je wel je ogen laten scannen?” Hij wijst naar een loket. Ik ga in de rij staan, maar het blijkt voor mijn vlucht niet echt nodig. Bij de gate worden we in een soort wachtruimte gestald waar ik ruim twee uur moet wachten en er niet meer uit mag. “Maar ik moet echt nodig naar de wc” op godsgratie (allah’s mercy) mag ik naar de wc. Ik glip toch even naar costa voor een chai thee en een opgerolde versie van een sandwich, die ik mee het vliegtuig in sleep.

Air arabia is een bijzondere vliegervaring. Er verschijnen schermpjes uit het plafond, waarop diverse dingen worden weergegeven. Zo wordt er aan boord geen alcohol geschonken (haram; verboden voor moslims) Daarna begint er een muziekje te spelen en wat verschijnen beelden, met ondertiteling. “Laten we bidden voor een veilige vlucht, Allah akbar, Allah akbar.” Ik kan er wel om lachen. Het hele vliegtuig is namelijk overgoten met Nepalese mensen. Ik zit naast twee ‘moderne’ Nepalese jongens, die ook hun lach niet kunnen inhouden. De jongen naast mij heeft twee mars-ijsjes die helemaal gesmolten zijn. “Milkshake?” zeg ik grappend. Hij heeft ze aan de stewardess die ze in de koeling legt.

Over de speakers gaat nu een standaard verhaaltje van de piloot; hoeveel graden het is, hoelang het vliegen is etc. Ons personeel spreekt graag in uw eigen taal, aan boord hebben we personeel welke de volgende talen spreken: Arabisch, Frans, Engels, Spaans, Chinees en Hindi.” De jongens moeten daar enorm om lachen. “Met een vliegtuig vol Nepalese spreken ze geen eens Nepalees. Nu ik er zo over nadenk vindt ik het ook wel opmerkelijk. Ik ben vrijwel de enigste toerist.

Ik vraag me af hoe het komt dat het vliegtuig vol met Nepalese is. Maar dit word me al snel duidelijk. Bovendien doe ik later nog een schokkende ontdekking over de Nepalese werklui in Dubai . (daarover later meer) Voor het Dashian festival komen de mannen allemaal thuis, om samen te komen met familie en vrienden. Het 15 dagen durende Dashian festival is een van de belangrijkste vieringen in Nepal en is voor ons te vergelijken met kerst.

De jongen twee stoelen naast mij, aan het gangpad, vraagt of er iemand op me wacht bij aankomst. Pff, bij Nepalese jongens denk ik stom genoeg aan een beetje smoezelige mannen, met wollenmutsen en kleding dat ver uit de mode is, maar deze jongen met zijn haar in een staart en moderne Dubaise kleding, kan zo op de cover van een of ander (nepalees) magazine. Ik schudt van nee, “ik denk dat ik een taxi neem” Het is immers al middernacht als we landen in Kathmandu. “Waar moet je heen?” “Thamel” “daar woon ik vlakbij, mijn vader komt me ophalen, ik zal hem vragen of je mee kan rijden.” Ik knik dankbaar. De jongen die tussen ons in zit geeft mij een van zijn gesmolten mars ijsjes welke we met een lepel op slurpen. “Dat is echt een mooi aanbod, een taxi is best wel duur!”

De aankomst is alles behalve wat je van een vliegveld verwacht. Er is een soort aankomsthal met tapijt op de vloer. Z’n mal papiertje is niet meer nodig; we zijn met te veel. Mijn visum heb ik bij de Amsterdamse ambassade al geregeld, waardoor ik zonder al te veel moeite door kan lopen. Er staat een rij voor de simpele poortjes die hun beste tijd wel hebben gehad.

De knappe Nepalese jongen is blij en bijna euforisch, “ik ben zo blij dat ik straks thuis ben, dit is het festival van het jaar, ik heb hier zolang naar uitgekeken” Hij doet me denken aan mezelf, als het bijna kerst is ben ik ook in alle staten van ‘kerst blijheid’. Van het maken van keststukjes, het opzetten van de kerstboom, het inpakken van cadeautjes. Pff, kerst… Wat zal dat dit jaar anders zijn… Ik ben blij voor hem. Hij werkt het hele jaar, om die paar dagen thuis te komen voor Dashian, volgens mij wel verdient.

Buiten staan inderdaad zijn vader en broer hem op te wachten. Ze knuffelen en praten wat in Nepalees. De jongen moet ontzettend hard lachen. “Mijn vader dacht dat ik eindelijk een vrouw mee naar huis nam!” Ik lach. “ik ben nog steeds niet getrouwd” hij zegt het op een manier alsof dat heel vreemd is. Wat eigenlijk wel zo is, in Nepalese cultuur trouwen ze allemaal vrij jong. Hij is een slechts een paar jaar ouder dan mij. Ik wordt met tas en al, naast zijn broer, op de achterbank van het kleine gammele autootje gepropt. Nepalese muziek speelt. Zijn vader zit achter het stuur, aan de rechterkant. De jongen praat aan een stuk door in een vrolijke stemming. Zo ben ik meestal ook als ik thuis kom van een lange reis en mijn moeder en zus voor het eerst weer zie.

Ik laat de jongen het adres van mijn hostel zien. Bij Thamel, stopt de auto. “Sorry de rest moet je lopen, we mogen hier niet inrijden. Je kunt daar aan de politie vragen waar het is.” ik kijk verbaast, politie?  “Ja dat is toeristen politie, die zijn er om je te helpen” Ik stap uit en kijk schichtig om me heen. Het is middernacht in Kathmandu, Thamel de populaire (toeristen) wijk is levendig en druk, aan de vooravond van de belangrijkste 3 dagen van Dashian.

Ik loop richting de ‘politie’ en laat het adres van mijn hostel zien. Nog voor de man kan antwoorden, hoor ik vanuit de verte: “Hé pretty! Kom, ik weet de weg.” Het is de Nepalese jongen die me terug de auto in sleept. Blijkbaar mag je als uitzondering nu wel door de binnenstad. De jongen zegt dat we in de juiste straat zijn, maar het hostel kunnen we niet vinden. Hij belt mijn hostel en vraagt of er iemand mij kan ophalen. Met een flauwig bedankje, neem ik afscheidt van de Nepalese knappert. Zonder hem had ik mijn hostel waarschijnlijk niet gevonden.

Het is al laat maar ben tevreden met mijn 6 persoons hostelkamer al moet ik wel in een bovenbed  klimmen.

follow us:
Facebooktwittergoogle_pluspinterestrssinstagram

Geef een reactie