Phaplu, ‘een hell of a road’

Trekking dag 1, Phaplu 23-10

“Dit laat ik hier achter, dat kom ik weer ophalen als ik terug ben,” zeg ik tegen de hosteleigenaar, terwijl ik naar de vuilniszak wijs. “Garbadge?” “Nee, geen garbadge dat zijn mijn spullen!” Hij lacht “ik zet het in het bagagehok” ik knik instemmend. “Heb je al betaald?” “nee, nog niet. Hoeveel is het?” De man bladert wat door het boek. “Hoeveel nachten?” “Dat zou jij toch moeten weten?” Hij bladert weer door het boek. “5 nachten toch?” Ik knik, “het is hier veelte vroeg voor, zeg me hoeveel ik moet betalen, ik moet weg.”

Ik hoor het hek nog achter me dichtslaan terwijl ik door de donkere steegjes van Kathmandu loop. Een kleine hobbel over, links, recht en dan ben ik bij de hoofdstraat, waar ik word opgepikt met de taxi. Ik ben op tijd. In het steegje bij m’n hostel stond een taxi, maar daar zat niemand in. Dat zal hem toch niet zijn? Ik wordt een beetje onzeker. We hadden afgesproken bij de hoofdstraat misschien denkt hij wel de drukke straat hier naast.

Voorzichtig komt er een taxi naar me toe gereden. Zijn raampje gaat open “To airport?” He nee dat is hem dus niet. Ik schud nee, “Ik wacht op iemand anders.” Klokslag half 5, zoals afgesproken, zie ik een man aankomen lopen. Ik herken hem meteen aan zijn ‘Nepalesehoedje’. “Hé good morning? Are you ready?” Ik knik. “De taxi komt er zo aan” Ik gaap. “Pff, het is zo vroeg; sta je altijd zo vroeg op?” “Ja, vandaag iets eerder, maar normaal sta ik om 4 uur op.” De taxi komt aanrijden. Ik stap in met mijn tas op de achterbank. Het is akelig stil, maar niet ongemakkelijk.

Ik tuur uit het raam van de auto. De lege straten van Kathmandu lijken mij te raken. Enerzijds vol karakter en cultuur, anderzijds vol zwerfafval en troep. De straathonden die ik s’ nachts hoor huilen als een stel weerwolven, zie ik nu door de straten zwerven, opzoek naar restjes eten. Dat ligt er overigens genoeg. Plastic zooi, trouwens ook.

Een zwerver loopt door een berg afval te graaien, daarbij trekt hij zelfs wat vuilniszakken open. Dat zijn handen vol met gore smurrie zitten, lijkt hem weinig te boeien. Als de taxi voorbij rijdt kijkt hij maar heel even op, maar gaat daarna ongestoord verder met het graaien in de vuilniszakken. Ik vraag me af wat hij daar voor waardevols tussen zal vinden, waarschijnlijk niets. Nepal is een van de armste landen ter wereld. In het holst van de nacht is de armoede opeens heel zichtbaar.

De taxi stopt aan een grote weg, waar het voor dit tijdstip best wel druk is. Er staan meerdere bussen en taxi’s en een rijtje jeep ’s. Ah, we zijn er, dit zal het busstation wel zijn. Ik rommel wat in mijn tas en haal er dingen uit die ik wellicht nodig zou kunnen hebben voor een rit van ongeveer 10uur. “wacht hier even, ik kom er zo aan,” zegt de touroperator. Toch wel een goede deal gemaakt bedenk ik mij. Voor 2500rp word ik opgehaald met de taxi vanaf mijn hostel en met de jeep naar Phaplu gebracht. Een busticket was goedkoper, maar heen en weer met een taxi om het kaartje te halen, had mij uiteindelijk meer gekost.

De man komt terug. “De jeep staat al klaar. Je tas moet op het dak dus haal alles wat je nodig hebt er even uit. Als je terug bent van je trip kom dan even langs mijn kantoor? ben ontzettend benieuwd naar je reis.” Ik overhandig de man het geld, “Zal ik zeker doen, bedankt.”

Ik mag plaatsnemen op de achterbank van de jeep waar al twee Chinese jongens zitten. Het is een beetje opproppen, maar op zich wel te doen. De jeep moet eerst nog even tanken en dan rijdt hij door. Ik zit op de achterbank, maar er voor is nog een rij met drie van hun vrienden, voorin zit een wat forse man. Zo die heeft het lekker bekeken, bedenk ik mij. Ik had liever daar gezeten, in plaats van zo opgepropt met deze jongens. Ik zit aan de raamkant, maar tussen de stoel en het raam zit een vervelende lege ruimte waardoor ik niet echt lekker zit.

De jeep crost door de straten van Kathmandu. Ik doe een poging nog wat slaap in te halen, maar het blijft slechts bij het dicht doen van mijn ogen. Ik word alle kanten op geschud, waarbij ik steeds tegen de zijkant van de jeep aan beuk. Ik probeer weer te verzitten. Net nu ik denk mijn ‘draai’ een beetje te hebben gevonden stopt de jeep. Hé waarom stopt hij? Ik hoor de chauffeur op het dak wat rommelen.

Er komen nog twee mensen bij. Hé? Ik dacht dat de jeep toch echt wel vol was. Dat past toch niet? Drie op de achterste bank, drie op de achterbank en nog twee mensen voorin. De deur gaat open en het is ongelofelijk maar waar; de man komt bij ons op de achterbank geperst. Ik ben met stomheid geslagen. Dit meen je toch niet? In een flits tel ik de ‘hoofdsteunen’ van de achterbank voor mij. Vier. Ik kijk opzij.  Ja, vier hoofdstukjes, dus ruimte voor vier personen. In theorie dan, want in werkelijkheid vecht ik voor een beetje zitruimte. De Chinese jongen naast me zucht en steunt, terwijl hij hetzelfde doet. De vriendin van de Nepalese man, komt op de bank voor ons. Ik begrijp nog steeds niet waarom ze niet naast de dikke man gaat zitten. Misschien is daar maar één plek bedenk ik mij. Of is hij gewoon te dik?

De jeep rijdt in een flinke vaart door. Ik zoek nog steeds naar een comfortabele zithouding, terwijl ik snak naar adem. De muziek gaat aan. Na wat Nepalesemuziek komt er opeens “Boem, boem, boem, I want you in my room” uit de speakers. Oh no. De chinese jongen naast me lijkt er maar het beste van te maken en tapt met zijn hand op zijn knie. Na het twee couplet begin ik de Vegaboys ook steeds meer te waarderen. Het leidt me in ieder geval even af van de verschrikkelijk hobbelige weg.

Ik kijk uit het raam van de jeep. Ik kom erachter dat mijn mond open staat en een zachte “wauw” mij zojuist is ontglipt. Nu we de stad hebben verlaten verandert het landschap in theevelden en bergen. Met het opkomende zonlicht, een prachtig gezicht.

Ik ben nog hartstikke moe en probeer wat te slapen. Een normale houding is al een uitdaging met z’n alle in de jeep gepropt. Maar slapen, dat is al helemaal geen doen. De Chinese jongen naast mij struggled ook nog steeds met hetzelfde probleem. Opeens stopt de jeep langs de weg. Ik kijk op. Een restaurantje. Nouja, zeg maar gewoon een schuur met wat plastic tafels en stoelen. “breakfast” zegt de chauffeur. Ik heb helemaal geen trek. Ik werp een blik naar de Nepalese mannen die hun dahl bath naar binnen schransen. Bah!

Ik word aangesproken door de ‘dikke man’. Hij blijkt een Duitser, wat mijn plaatje van een ‘korte dikke Duitser’ helemaal compleet maakt. Toch vraag ik mij stiekem af wat hij hier komt doen, hij lijkt mij niet echt een type ‘berg hiker’. “Geniet je een beetje van de rit?” zegt hij op een lacherige toon. “pfff, ja ontzettend” antwoord ik sarcastisch. “Daarom heb ik twee stoelen besteld” zegt hij met een zelfingenomen lachje. “aah dat is slim!” Dat verklaard voor mij ook meteen waarom hij zoveel meer ruimte heeft dan ik. Tegelijkertijd bedenk ik mij dat het voor zulke dikke mensen als hem eigenlijk een verplichting zou moeten zijn. Stel je voor dat ik daar naast zou moeten zitten? Dan is de beschikbare ruimte toch oneerlijk verdeeld? “Ik heb ook geen trek in breakfast hoor, wil je een biscuitje?” doorbreekt de man mijn iet wat gemene gedachten. “Ik heb dezelfde” en haal het rolletje koekjes uit mijn zak die ik in de jeep al voorzichtig als ontbijt probeerde te eten.

Ik moet eigenlijk me reispilletje innemen, ik word helemaal misselijk van de weg in de jeep. Maar ja, die zitten natuurlijk nog in mijn backpack. Hoe krijg ik die er nou uit? De chauffeur is nergens te bekennen. Die zal wel zijn dahl bath naar binnen aan het werken zijn. Daar hoef ik dus niet op te rekenen.

Ik besluit dan zelf op de auto te klimmen. Voorzichtig haal ik mijn backpack onder het vast gesnoerde touw vandaan. Ik graaf door mijn backpack. Het zal wel onderop liggen natuurlijk. He wat irritant. Gisteravond dacht ik er nog aan. Het tegengestelde blijkt waar. Het ligt juist bovenop. Ik stop het stripje snel in mijn zak terwijl ik alles weer snel terug in mijn backpack prop. Ik duw de backpack weer terug onder het touw. “Denk je dat hij zo goed vast ligt?” vraag ik ter bevestiging aan de Duitser beneden die vol verwondering staat te kijken. “ik denk het wel hoor” Ik klauter weer van de jeep af.

Laten we dan toch maar thee nemen. We bestellen een Nepalese milk thee. De man begint te vertellen. “Dit is denk ik al de 17e of 18e keer dat ik in Nepal ben. En vrijwel altijd naar Everest. Zo jammer dat de meeste mensen dit gebied overslaan.” Ik knik “De meeste gaan allemaal meteen met het vliegtuig naar Lukla.” “Ja mensen hebben vaak haast. Hoewel ik ook liever naar Phaplu was gevlogen in plaats van zolang in een jeep te moeten zitten. Maar er gaat maar eens per week een vlucht naar Phaplu. En dan te bedenken dat er wel 20 vluchten per dag naar Lukla gaan.”

Hij vraagt wat door naar mijn reisplannen. Hij verslikt zich bijna als ik vertel dat ik hierna drie maanden door India wil reizen. “Alleen? Nou dan mag je wel oppassen. Hier in Nepal zal je niet zo snel wat gebeuren, maar in India zijn ze wel een stuk ‘handtastelijker’. Ik zou mijn dochter daar niet alleen heen laten gaan.” Ik lach zijn overdreven bezorgdheid weg.

We gaan weer verder. Na een lange rit val ik toch een soort van in slaap. Mijn hoofd rust tegen het petje van de Chinese jongen naast mij. Iets van ‘personal space’ is hier maar weinig te zoeken, als ik niet beter zou weten zou je best kunnen denken dat we een stel zijn, zo dicht zitten we tegen elkaar aan. Als ik wakker word schrik ik er bijna van. De jongen verzit een stukje naar voren en leunt nu met zijn hoofd tegen de bank voor ons. Dat geeft mij net even wat meer ruimte, waardoor ik mijn linkerschouder weet te redden van het gebonk tegen de zijkant.

We hebben nog een aantal pauzes, welke best wel welkom zijn om even op adem te komen en te kunnen plassen. Pas rond 16 uur komen we in Salleri aan. De chauffeur is bereidt ons verder te brengen naar Phaplu. Het is dan nog te laat om verder te lopen naar een volgend dorpje, daarom besluit ik daar te blijven.

De Duitse man slaapt in dezelfde lodge. Ookal is hij heel aardig en zal hij het vast goed bedoelen, begin ik mij behoorlijk te irriteren aan zijn manier van praten. Hij doet alsof hij alle wijsheid in pacht heeft en spreekt zelfs een van de Sherpa guides tegen, welke in mijn ogen toch echt wel veel van het gebied weten, omdat hij hier al zo vaak is geweest wilt niet zeggen dat je alles beter weet. Ik laat de man een beetje links liggen, hij heeft immers Duits gezelschap gevonden.

Ik wil toch graag even alle stof van me af douche. De douche is buiten in een hokje achter de lodge. Er is alleen koud water dus ik moet even improviseren. Pfff, het is echt koud, het water komt hier uit de bergen. Eerst me ene been, dan me andere been. 1,2,3 dan toch maar mijn hoofd onder de kraan. Snel sop ik me in, spoel me af en ben meer dan tevreden als ik mijn kleren weer aan heb.

Die avond besluit ik meteen te gaan voor de traditionele dalh bath. Een typisch Nepalees gerecht met rijst en een soort jus van erwten en wel geteld een paar blaadjes groente. Zoals hier gebruikelijk krijg je bij je dalh bath altijd een refill. Welke ik beleefd afsla. Ik krijg dit al niet eens op. Als je een hele dag hebt gehiked dan kan ik me voorstellen dat zo een stevig bordje wel fijn is.

Na het eten ga ik vroeg naar bed. Morgen begint mijn eerste échte hike dag.

follow us:
Facebooktwittergoogle_pluspinterestrssinstagram

Geef een reactie