Trekkingsdag 22, Cho La pass ‘bambi op glad ijs’

Cho La pass trekkingsdag 22, 12-11

Marina’s wekkertje gaat. Ik wrijf het slaap uit mijn ogen. Pff, wat een nacht. Marina zit rechtop in haar slaapzak. “Hé, ja vind je het gek dat ik het zo koud had.” Ze lacht, wat een klote nacht zeg. Brrrr. Ze trekt haar broek aan in haar slaapzak. Ik zit vol verbazing te kijken. Ik heb geslapen in mijn thermo broek en trek mijn hikingbroek daarover aan. En verwissel mijn slaapshirt met de merinowol daarover mijn fleece vest en donsjas om op te warmen wat een hel zeg. “Ik zag inderdaad je deken op de grond liggen, maar ik dacht dat je dat expres had gedaan.” Ze lacht, “nee natuurlijk niet, verdomme het was stervenskoud vannacht”.

We pakken onze tas in en gaan naar de zaal voor ontbijt. “Pfff, ik heb echt geen trek hoor” Ik krijg gelukkig ook een pot heet water waar ik thee van maak. Dat gaat er gelukkig altijd wel in. Mijn pap met stukjes appel eet ik met tegenzin. Ergens is het wel handig dat ik niet hoef te kauwen en het alleen maar hoef door te slikken. Voorheen bestelde ik toast, maar dat kreeg ik ook maar met moeite weg.

We gaan op pad het groepje staat buiten al te wachten. Ze lopen in een flink tempo, ik probeer bij het groepje te blijven, maar krijg al snel te maken met ademhaligsproblemen. Marina is bezorgd: “Gaat het wel?” “Ja, het gaat wel; dit heb ik steeds, ik krijg geen lucht.” De rest van de groep loopt flink door. De Spaanse man is ook niet zo snel, “Je moet je niet op laten jutten door de groep hoor, gewoon in je eigen tempo.” Dat probeer ik, maar ik raak dan steeds verder achterop, de groep wacht dan op me. “Jongens gaan jullie maar, ik wil niet dat jullie steeds op mij moeten wachten”, zeg ik hijgend. “Nee, de pass is veelte gevaarlijk we kunnen je echt niet alleen laten gaan.

We lopen weer een stukje opnieuw kan ik gewoon niet sneller dan het slakkentempo ik nu afleg. Telkens als ik dichterbij kom lopen ze weer door. Ik prof neer op een rots, in de hoop dat het groepje niet meer op mij wacht, maar gewoon door gaat zonder mij. Ik zit op de rots, ik voel me het vijfde wiel aan de wagen. Het meisje dat op school werd gepest, omdat ze er niet bij hoorde. Bij gym altijd de sloomste was en nu weer. Ik hoor er niet bij, niet echt. Ik voel me een mislukkeling een einzelgänger. Ja eenzaam. Alleen. Maar ook zelfstandig en een doorzetter. Ik sta op voorbij de heuvel staat het groepje alweer op me te wachten. Zou ik er dan toch wel bij horen?

Ik spreek met een van de gidsen, ingehuurd door de spanjaard, toch voelt hij zich ook verantwoordelijk voor mij. “Ik wil echt liever alleen gaan, ik begrijp dat jullie niet op mij willen wachten, maar ik vind dan wel iemand anders om de pass mee over te steken.” We lopen weer een stukje. Ik trek het echt niet ik zwalk helemaal van uitputting. Ik twijfel zelf ook of ik het wel ga halen.  Doe ik hier wel verstandig aan? Marina: “Kun je niet beter terug gaan en het morgen opnieuw proberen?” Uiteindelijk zeg ik, “Ja dat lijkt me beter.” Ik zeg dat alleen maar om van het gezeur af te zijn. Ik ben er van overtuigt dat ik het wel ga halen, alleen dat het een stuk langer zal duren, zolang ik maar op mijn eigen tempo kan lopen.

Ik rust even wat uit en ga dan stap voor stap verder, weer even rusten en weer verder. Zo gaat het de hele weg door tot ik in een bepaald ritme kom wat volgens mij wel oke is. Bij de enorme rotsen sta ik stil. Pff, wat een klim. Het is echt een klim over enorme rotsen naar boven. Echt plek om uit te rusten is er niet, maar halverwege moet ik toch echt even stil staan. Achter mij zijn een tweetal andere trekkers, we gaan een beetje gelijk op. Wie weet kan ik wel met hun mee.

Boven op de berg zit een groepje locals en een trekker. Ik plof neer op de berg, pfff, “Je hebt het gehaald, rust even uit.” Wil je wat eten? Hier, de jongen geeft mij een deel van zijn lunch chapati (tibetaans brood), wat nootjes en een gekookt eitje. Het eitje gaat er zeker wel in. Zittend op de rots kijk ik uit over de vlakte waar ik zo heb lopen strugglen. Wat een held ben ik ook… het is gewoon als een soort weiland, wat een aansteller.

Ik ga weer verder; stil zitten is best wel frisjes en ik heb nog een lange weg te gaan. Daar zie ik het tweetal weer. “Zeg vinden jullie het goed als ik met jullie samen de glacier oversteek? ik denk dat het allemaal wel mee valt, maar iedereen zegt steeds dat het zo gevaarlijk is om alleen te gaan.” Ze vinden het prima. Ik volg hun stappen. Ik ben opnieuw best wel langzaam, maar ik doe mijn best om hun bij te houden; terwijl ik als een vis op het droge naar adem hap.

Nu we bij de gacier zijn aangekomen wordt het toch wel even spannend. Ik ga nu letterlijk over ijs heen. Ik heb spikes die ik onder mijn schoenen bind. Het zijn geen orginele crampons maar het volstaat. Althans. Ik loop achter het tweetal al. Maar als ik mijn voet niet goed in het ijs hak glij ik, als een bambi op glad ijs uit. Ik viel gelukkig niet heel hard, het is vooral de schrik die het hem doet. En dan moet ik ook nog eens overeind zien te komen.

Het meisje helpt me overeind. “Gaat het?” “Ja, ach het gaat wel.” We lopen verder over het ijs en de glacier aan de linker rand is een diep diep dal. (hier zijn mensen écht ingevallen en overleden ik zuig dit niet uit mijn duim) Dit is een ravijn waar je niet in wilt vallen. Geconcentreerd zet ik stappen terwijl ik mijn ademhaling probeer te controleren. Daarna lopen we over een bevroren waterval. Het ijs is bijna als een kustwerk, door de natuur gecreëerd. Prachtig. Maar ik ben te ziek om er echt van te kunnen genieten. We klimmen stap voor stap naar boven. Tot we op een punt komen waar geen ijs meer is; de spikes kunnen uit.

Ik hijg ik steun en kreun. Wat doe ik mezelf aan. Ik voel me echt belabberd. Nog steeds last van hoogte ziekte. We staan nu op het punt een heel steile helling te beklimmen, het is bijna als een rechte muur omhoog. Dat kan toch niet? Het liefst wil ik nog even bij komen, mijn misselijkheid weg slikken met water, maar het tweetal wil alweer verder. Ik weet niet hoe ik in godsnaam deze klif ga beklimmen dus besluit ik toch maar achter hun aan te lopen. Dan heb ik in ieder geval een voorbeeld. Het meest lastige is vooral de tas op mijn rug en de trekkers die in tegengestelde richting die zelfde berg afdalen.

Maar eenmaal boven ben ik opgelucht en blij. Dit was het moeilijkste deel. Opeens zie ik daar de gids en de Engels man. Ze zijn blij verast mij te zien. Vooral de Engels man. Hij schudt me de hand. “Wat een prestatie hoe gaat het met je?” “Ik voel me nog steeds beroerd, maar ik doe het rustig aan”.

 

follow us:
Facebooktwittergoogle_pluspinterestrssinstagram

Geef een reactie